Ik heb 21 jaar geleefd in de overtuiging dat mijn vader mijn echte vader was. De arts had mijn ouders destijds geadviseerd om de donorbehandeling geheim te houden. Tien jaar geleden kwam ik er toch achter dat ik een donorkind was, verwekt met behulp van een anonieme spermadonor die ik nooit zou kennen.
Tien jaar lang heb ik mannen van middelbare leeftijd anders bekeken. Ze konden allemaal mijn verwekker zijn
Tien jaar lang heb ik mannen van middelbare leeftijd anders bekeken. Ze konden allemaal mijn verwekker zijn. Op de trein, op straat, in de winkel: overal waar ik kwam werd mijn blik afgeleid naar mannen die het zouden kunnen zijn. Ik scande hen vliegensvlug en besloot of ze wel of niet in aanmerking kwamen. Het werd een onbewuste reflex. Verder kon ik daar natuurlijk niks mee. Ik ging geen wildvreemde mannen vragen of ze alstublieft een haarlok of wat wangslijm konden missen.
Ik had het gevoel dat mij iets was afgenomen.
Ik stopte niet met zoeken, al speelde het zoeken zich lange tijd enkel in mijn hoofd af. Ik verzon manieren om hem toch te kunnen vinden. Ik fantaseerde over nachtelijke inbraken in het archief van de fertiliteitskliniek. In gedachten schreef ik brieven naar alle mannen die in 1983 student waren aan de KULeuven. Nooit ondernam ik echt iets.
Het gaf een sprankeltje hoop in een tot dan toe compleet hopeloos verhaal.
Mijn inschrijving was eigenlijk een absurde onderneming: ik ben in België verwekt, dus de kans dat ik in Nederland mijn donor zou vinden was miniem. Maar het kon geen kwaad, en het gaf een sprankeltje hoop in een tot dan toe compleet hopeloos verhaal. Het was het enige wat ik kon ondernemen. Daarna probeerde ik er niet te veel aan te denken. Ik wilde niet zitten wachten op Godot.
Ik heb altijd geloofd dat mijn biologische vader in zijn naïeve studentenjaren spermadonor was geweest, zonder de volledige impact daarvan echt te vatten. Ik geloofde dat hij intussen ouder en wijzer was, en zou begrijpen dat het voor zijn donorkinderen belangrijk kon zijn om uit de anonimiteit te treden.
Winnend lot
Enkele maanden geleden word ik verrast door een telefoontje van Fiom, de organisatie die de Nederlandse databank beheert. De man aan de andere kant van de lijn vertelt me dat ze mijn DNA hebben kunnen matchen. “We hebben je donor gevonden”. Ik geloof mijn eigen oren niet. Ik barst in tranen uit en vraag wel tien keer of het echt waar is. “Ja, het is echt waar”. Ik sta te trillen op mijn benen, en probeer het nieuws te laten doordringen.
De dagen na het telefoontje sta ik vaak voor de spiegel, net zoals tien jaar geleden toen ik ontdekte dat ik niet was wie ik dacht te zijn. Ik kijk nu met een andere blik. Ik zal eindelijk weten waar ik vandaan kom. Ik huil tranen van geluk. Onwaarschijnlijk geluk. Het voelt alsof ik de lotto gewonnen heb. Mijn donor heeft dezelfde absurditeit ondernomen als ik destijds: zich inschrijven in de Nederlandse databank. Alsof we elkaar via die weg zouden vinden! Toch wel. En ik maar wachten op die Belgische databank.
Ik voel me plots heel verbonden met hem. Bizar, want ik heb de man nog nooit ontmoet. Maar het lot wil daar blijkbaar verandering in brengen, en dat vind ik prima. Het voelt niet aan als stom toeval. Wel alsof iets of iemand dit voor mij geregeld heeft. Het voelt als een ongelooflijk waardevol geschenk, waarvoor ik enorm dankbaar ben.
Mijn wortels nestelen zich in herkenbare aarde, en dat voelt goed.
De ontmoeting
Twee weken later ontmoet ik mijn biologische vader. Ik kan hem in de ogen kijken, zijn stem horen, bestuderen hoe hij eruit ziet. Ik herken trekken van mezelf, vooral mijn neus. Ik zie plots ook veel helderder hoe sterk ik op mijn moeder lijk. Alles wordt duidelijker. Alsof je eindelijk een puzzel kunt oplossen waar je jarenlang naar hebt zitten turen.
Het is een fantastisch gevoel. We ontdekken enkele markante overeenkomsten: we spelen allebei saxofoon, we koken allebei graag, we zijn allebei goed in statistiek. Allemaal eigenschappen die ik nooit heb kunnen thuisbrengen bij mijn ouders, maar nu wel kan plaatsen. Ook al is het toeval, het kan me niet schelen. Mijn wortels nestelen zich in herkenbare aarde, en dat voelt goed.
Opnieuw op zoek
Stilaan besef ik hoe mijn leven weer een nieuw hoofdstuk aanvat. Na tien jaar kan ik een punt zetten achter een zoektocht waarvan ik dacht dat die levenslang zou duren. Mannen van middelbare leeftijd degradeer ik opnieuw tot willekeurige passanten die me verder niet interesseren. Ze kunnen niet meer allemaal mijn vader zijn. Ik mag stoppen met zoeken en scannen. Er daalt een ondefinieerbare rust over me neer.
Ik ben blij met die rust, met dat nieuwe hoofdstuk in mijn leven. Maar paradoxaal genoeg brengt het nieuwe hoofdstuk ook weer onrust teweeg. Dat ik mijn biologische vader wilde kennen, dat was altijd zonneklaar voor mij. Maar wat ik verder van hem verlang of verwacht, dat is een andere kwestie.
Hij is ook niet zomaar een vriend of een kennis, want daarmee deel je geen bloedband.
Noodgedwongen ga ik opnieuw op zoek. Niet naar wie hij is, maar wel naar wat hij nu voor mij zal betekenen, en ik voor hem. We zullen dit nieuwe hoofdstuk zelf moeten schrijven. We kunnen niet copy-pasten, we hebben geen script om op terug te vallen, we beschikken zelfs niet over de juiste woorden.
Ik weet nog niet goed hoe ik hem moet noemen. Hij is geen papa, geen vaderfiguur. Mijn donor is hij eigenlijk ook niet – die was hij voor mijn ouders. Hij is ook niet zomaar een vriend of een kennis, want daarmee deel je geen bloedband. Hij is iemand tot wie ik me op een unieke manier verhoud, maar wat dat precies betekent, en hoe ik het moet benoemen, daar zal ik nog een tijdlang zoekende in zijn. Gelukkig is er tijd. En gelukkig is hij er om me te helpen zoeken.